Voormalig minister en emeritus hoogleraar Ernst Hirsch Ballin heeft op donderdag 25 september 2025 de derde Mohamed Rabbae-lezing uitgesproken. Zijn voordracht droeg de titel “Politiek van hoop.”
De jaarlijkse lezing is een initiatief van het Landelijk Beraad Marokkanen (LBM), dat daarmee de herinnering levend houdt aan de in 2022 overleden politicus en mensenrechtenactivist Mohamed Rabbae. Het evenement wordt georganiseerd in samenwerking met Debatpodium Arminius en het online platform de Moslimkrant.
Voor wie niet aanwezig kon zijn, publiceren wij hieronder de volledige tekst van de lezing.
Dames en heren;
Mohamed Rabbae en ik ontmoetten elkaar voor het eerst in de politiek, maar voor ons allebei bleef het niet bij de politiek. Nadat Mohamed uit de politiek ging, bleef hij zich inzetten voor de samenleving. Hij werd voor veel mensen een voorbeeld, tot zijn overlijden in 2022.
Onze eerste ontmoeting was bijzonder. Het was in een debat in de Tweede Kamer op 26 mei 1994. We waren toen allebei net gekozen tot Kamerlid. Mohamed hield toen zijn eerste speech. Hij ondertekende samen met de woordvoerders van de VVD en D66 een motie. De aanneming daarvan leidde tot het aftreden van twee ministers, één van het CDA – dat was ik – en één van de PvdA.
Maar bij latere ontmoetingen stonden we niet tegenover elkaar, ook niet toen ik in 2006 weer minister van Justitie was geworden. We waren toen allebei diep bezorgd. Over de verdeeldheid die in de Nederlandse samenleving werd gezaaid. Vandaag de dag is dat nog heel veel erger geworden.
Mohamed werkte altijd hard voor een samenleving waarin mensen met verschillende achtergronden in vrede samenleven. Dat is ook een belangrijke taak voor iedereen die verantwoordelijkheid draagt voor de democratische rechtsstaat. Daarom vind ik het een eer om deze derde Mohamed Rabbae-lezing te mogen geven.
Dit laat meteen zien wat ik vanavond wil zeggen: als burgers samen verantwoordelijkheid nemen voor de toekomst van ons land en de wereld, kunnen ze elkaar vinden. Ook als ze bij verschillende partijen horen, als ze een ander geloof hebben, of als zij of hun voorouders uit een ander land komen.
Zulke burgers en politici geven hoop. Daar wil ik het vanavond over hebben. Wat betekent politiek van hoop? Het betekent niet dat we doen alsof er geen problemen zijn. Juist niet. We moeten hardop zeggen wat mensen missen of waar ze last van hebben. Alleen als we de problemen zien en bespreken, kunnen we werken aan hoop. Maar als mensen hun problemen gebruiken om anderen de schuld te geven, gaat het alleen maar slechter. Ik moet eerlijk zeggen dat het grote politieke debat van vorige week daarom geen goed deed. Verscheidene sprekers probeerden wel netjes te blijven, maar niet allemaal. Als je verkiezingen ingaat door andere burgers als gevaarlijk neer te zetten, kun je misschien winnen, maar je verliest de hoop op een betere toekomst.
Het toewijzen van schuld of slachtofferschap aan groepen mensen helpt niet. Maar alleen dat zeggen is niet genoeg. We moeten praten over echte problemen en oplossingen. Die gesprekken gaan over de samenleving, bijvoorbeeld over geweld op straat, maar ook over diensten als politie en jeugdzorg. Burgerberaden en burgercollectieven kunnen daaraan bijdragen. Politiek van hoop betekent niet dat we alleen naar politici kijken. Het gaat om ons allemaal, als burgers.
Politiek van hoop begint dus niet in de Tweede Kamer, maar overal waar mensen elkaar ontmoeten. Dat is het eerste punt dat ik wil noemen. In misschien wat moeilijker woorden: een politieke democratie kan alleen bestaan als er ook een democratische samenleving is. Dat betekent dat we eerst moeten kijken naar de oorzaken van problemen. Bijvoorbeeld als jongeren overlast geven: horen ze ergens bij, zijn er ouders die zich verantwoordelijk voelen, is er een plek waar ze samen kunnen komen? En als dat niet helpt, zijn er dan wijkagenten of begeleiders die kunnen helpen? Maar er zijn ook vragen aan de overheid, bijvoorbeeld over veiligheid op straat, goede verlichting, daadwerkelijke hulp als iets ergers aan de hand is.
Politiek van hoop is dus iets anders dan hopen op “de politiek”. Het begint bij onszelf, met respect voor elkaar. Dat is ook de boodschap van een stuk dat ik samen met anderen van het Verband van Katholieke Maatschappelijke Organisaties (VKMO) heb geschreven. We schreven dat er elke dag 1,4 miljoen mensen in Nederland voor anderen zorgen. Als mantelzorger, vrijwilliger bij de voedselbank, sportclub of moestuin. Volgens het CBS doet bijna de helft van Nederland vrijwilligerswerk. Veel mensen geven ook geld aan acties voor mensen die ze niet kennen. We schreven ook: het leven wordt niet beter als we elkaar uitschelden of mensen buitensluiten omdat ze geen papieren hebben, er anders uitzien of anders denken. Maar we wilden ook zeggen wat er niet goed gaat. Terwijl veel mensen voor elkaar zorgen, voelen anderen zich in de steek gelaten, zoals door het tekort aan woningen. Dan worden bijvoorbeeld migranten te makkelijk als schuldigen aangewezen. Nederland kan beter, juist als we bouwen op de kracht van de samenleving en de overheid daarbij helpt.
Onze boodschap is dus dat we elkaar nodig hebben: politiek, bestuur en samenleving. Iedereen heeft recht op een minimum om van te leven, een huis, ruimte, en veilig werk. Alleen samen kunnen we echt iets doen aan problemen. Dat geldt in onze buurt, in ons land en in de wereld. Vervolging en noodtoestanden in andere landen leiden ertoe dat meer mensen hier bescherming zoeken. Goed beleid en toezicht kunnen voorkomen dat mensen in slechte omstandigheden moeten werken of wonen, en dat er overlast ontstaat. De hulp die er al is in onze samenleving, kan sterker worden door goed vervulde publieke taken.
Dit is, vanuit het katholieke sociale denken en de ervaringen van onze organisaties, onze boodschap van hoop. We halen kracht uit onze traditie, die nog steeds belangrijk is. Het is een politiek relevante boodschap, maar niet partijpolitiek. Onze hoop is dat ook anderen dit vanuit hun eigen traditie zo’n boodschap willen uitdragen. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Handvest van de grondrechten van de EU zeggen dat menselijke waardigheid richtinggevend is. Dit betekent dat ieder mens respect verdient en aan de eigen toekomst moet kunnen werken. De waardigheid van werk erkennen helpt bij een goed migratiebeleid, zowel arbeidsmigratie als asielmigratie. Initiatieven van onderop (subsidiariteit) moeten worden gesteund door solidariteit. En we zijn verantwoordelijk voor de aarde die we aan volgende generaties doorgeven.
Dat is, vanuit onze ervaring, wat politiek van hoop moet dragen. Een rechtvaardige samenleving vraagt dat mensen en overheid elkaar aanvullen. Daarop is in het katholieke sociale denken altijd gewezen, al sinds Paus Leo XIII eind 19de eeuwde sociale kwestie van zijn tijd centraal stelde. Paus Leo XIV doet dat nu, hij wijst op het verlangen naar vrede en de behoefte aan bescherming van kwetsbare mensen. Het principe van subsidiariteit is anders dan het harde neoliberale beleid.
Ik wil nog even doorgaan met het laatste deel van onze boodschap, speciaal voor mensen die op 29 oktober gaan stemmen of gekozen worden: de verdediging van ons land moet samengaan met het besef wat we willen verdedigen. We moeten letten op maatschappelijke en geestelijke weerbaarheid. Misschien hebben we een noodpakket in huis, maar wat zit er in ons geestelijke noodpakket? We kunnen bijdragen aan internationale vrede door een weerbaar en solidair buitenlands beleid, eerlijke handel, ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp.
Politiek van hoop betekent dat we ons niet laten ontmoedigen door slechte berichten. We moeten niet luisteren naar mensen die alleen maar dreigen of bang maken. Als we vasthouden aan hoop en vanuit deze waarden handelen, is er uitzicht op een beter leven voor iedereen.
Een praktische tip: zoek het gesprek op als mensen zich bedreigd voelen. Zoek steun bij organisaties die daarvoor zijn opgericht. Praat op het werk, in de kroeg of op straat niet alleen over wat er mis is, maar kijk samen wat je kunt doen. Burgerberaden en burgercollectieven zijn niet alleen nuttig voor grote vragen zoals de energietransitie, maar ook om te kijken hoe in een gemeente armoede, eenzaamheid en onveiligheid kunnen worden aangepakt.
Mijn tweede punt gaat over het vinden van een gemeenschappelijke basis. Mensen hebben vaak een uiteenlopend beeld van wat er aan de hand is. Op sociale media worden soms grote leugens verspreid, zoals complottheorieën of verhalen die mensen bang maken voor vaccins of groepen mensen, bijvoorbeeld asielzoekers. Het is extra zorgelijk als mensen zeggen dat ze dat mogen doen vanwege de vrijheid van meningsuiting. Ja, dat mogen ze zolang ze de wet niet overtreden. Maar als je hart hebt voor ons samenleven, moet je ook afvragen wat de gevolgen zijn van jouw woorden voor het leven van anderen. Als mensen bang worden gemaakt om hun kinderen tegen mazelen te laten vaccineren, kan dat heel ernstige gevolgen hebben. De vrijheid van meningsuiting is bedoeld om samen naar de waarheid te zoeken en elkaars mening te toetsen. Dat is de basis van een democratische rechtsstaat. Overheden hebben kennis nodig, en burgers moeten die kunnen beoordelen.

Politiek van hoop vraagt om liefde voor de waarheid. In ons staatsrecht is het uitgangspunt dat besluiten worden genomen op basis van feiten. Daarom moeten wetten en besluiten goed worden gemotiveerd. Daarom hebben politie, justitie en rechters speciale bevoegdheden om onderzoek te doen. En daarom kan de Kamer een enquête houden om getuigen te horen en stukken op te vragen. Dit alles is bedoeld om besluiten te nemen op basis van gedeelde gronden. Betrouwbare feiten en kennis zijn de basis van de democratische rechtsstaat.
Dat is ook de betekenis van academische vrijheid: onderzoekers moeten zonder druk van buitenaf hun werk kunnen doen. Zo kunnen ze inzichten geven aan burgers en politici, bijvoorbeeld over investeringen in klimaat, onderwijs en economie. Politiek en meningsvorming moeten gebaseerd zijn op feiten. Dat is nodig voor politiek van hoop.
Het derde punt dat ik wil noemen, gaat over ons politieke systeem. Vooral over de Tweede Kamer en de vele debatten tussen politici. Politici krijgen vaak het advies om duidelijk en fel hun standpunten te laten horen. Door sociale media gaat alles steeds sneller. Er worden filmpjes verspreid die vooral meningen laten zien, niet de argumenten. In de Tweede Kamer worden belangrijke debatten vaak afgesloten met moties en voorstellen waar niet echt over wordt gesproken voor ze in stemming komen. Ze worden soms zonder goed onderzoek aangenomen. Een voorbeeld is de motie om “antifa” tot terroristische organisatie te verklaren, terwijl dat geen echte organisatie is. Zo’n motie is ook niet nodig, omdat terroristische activiteiten al strafbaar zijn. Zonder kennis van zaken en argumenten kan de politiek geen gezamenlijke richting vinden. Dan blijft het bij het uitwisselen van standpunten die meteen voor- of tegenstanders oproepen.
Politiek verzandt dus te vaak in ruzies. Ook in andere landen zie je dat politieke ruzies goed bestuur in de weg staan. Daardoor krijgen populistische partijen meer aanhang. In Nederland zou het anders moeten zijn, want sinds 1917 hebben we een systeem dat samenwerking tussen partijen vraagt. Toch doen partijen vaak alsof het een strijd is tussen twee of drie partijen, waarvan er één “wint”. Dat zou niet erg zijn als de Koning daarna – zoals vroeger – een neutrale informateur zou aanstellen om een kabinet te vormen dat op brede steun kan rekenen. Maar sinds 2011 regelt de Tweede Kamer zelf de kabinetsformatie. Dat heeft twee gevolgen. Ten eerste is er na een kabinetscrisis niemand die kan vragen of een breuk nog te herstellen is, of dat een ander kabinet het werk kan voortzetten. Daarom blijft nu een erg verzwakt kabinet toch aan. Ten tweede is in de Tweede Kamer afgesproken dat de grootste partij het initiatief krijgt. Dat past niet goed bij het idee dat je samen tot een meerderheid moet komen. Door deze regel kwam de PVV in 2023 in een bijzondere positie.
Als de politiek niet in een geest van samenwerking wordt bedreven, wordt het risico van mislukt beleid groter en stapelt de conflictstof zich op. Dat hebben wij de afgelopen jaren gezien. Daardoor denken steeds meer mensen dat een autoritaire regering beter is. Maar dat leidt tot minder vrijheid, meer vervreemding en ook economische schade. Dat blijkt uit wetenschappelijk onderzoek: een populistisch bewind schaadt de macro-economische stabiliteit.
Maar laten we ons niet overgeven aan sombere gevoelens. Als we hoopgevende politiek willen, moeten wij daar zelf aan werken. U zelf kunt iets betekenen.
U komt uit verschillende maatschappelijke, religieuze en politieke groepen, maar u bent hier samen om zorg en hoop te delen. Toen Nederland in 1945 werd bevrijd, namen mensen uit verschillende stromingen – katholieken, protestanten en humanisten – het initiatief voor samenwerking bij de Wederopbouw. Zo hadden ze zich voorgenomen om niet terug te vallen in de situatie van voor de oorlog, toen ze vooral opkwamen voor hun eigen zuil. Ze hadden elkaar tijdens de bezetting beter leren kennen, en waren zich gaan interesseren voor elkaars gedachtegoed. Dat werd de kracht van het nieuwe Nederland.
Nu, tachtig jaar later, hebben we ook zo’n geest van samenwerking nodig. De bevolking van Nederland ziet er vandaag de dag anders uit dan in 1945. In het Nederland van nu leven mensen met verschillende religieuze overtuigingen en achtergronden. Maar ze leven veel te vaak langs elkaar heen. Dat leidt niet alleen tot onbegrip. Er zijn mensen die zich na vele jaren nog niet thuis voelen, en er zijn anderen die zich niet meer thuis voelen. Dat zijn twee kanten van hetzelfde probleem.
Bovendien leidt dat tot nodeloze spanningen, en als die tot ontlading komen wordt de situatie nog moeilijker. Een politiek van hoop moet worden gebouwd op een samenleving waarin veel meer dwarsverbindingen worden gelegd tussen mensen met een achtergrond in christendom, jodendom, islam en humanisme. Op allerlei gebieden – zoals onderwijs, hulp aan nieuwkomers, steun voor beginnende ondernemers en culturele activiteiten – kunnen mensen samenwerken in kleine groepen. Sommigen van u doen dat al, anderen nog niet. Waar mensen samenwerken, krijgen verdeeldheid en tegenstellingen geen kans.
Dat is het mooiste, hoopgevende nieuws dat we kunnen brengen.
De beste vooruitzichten zijn er als mensen elkaar opzoeken voor gezamenlijke activiteiten, economisch, maatschappelijk of cultureel. Dit kan het beste al vroeg in een mensenleven beginnen, op school en in de wijk. En het is goed als de overheid dat waar nodig ondersteunt.
Dit kenmerkt een politiek van hoop: verbindingen maken tussen politiek en samenleving, maar ook binnen de overheid en tussen partijen. Dan kun je bouwen op kennis en samen nadenken over de toekomst. Als we samen bedenken hoe Nederland er in 2040 uit moet zien, kunnen we nu al keuzes maken voor een betere toekomst. Hoop is geen naïviteit. In het Frans gebruik je het woord “espoir” voor persoonlijke hoop, en “espérance” voor hoop die je samen deelt. Dat is wat ik vanavond wil meegeven. Politiek van hoop begint bij onszelf. Hoop vraagt aandacht en zelfinzicht: waarom ben je nog niet wie je kunt zijn? Iemand die iets betekent voor anderen? Hoop is ook verantwoordelijkheid nemen voor wat we achterlaten. Ik ben dankbaar voor mensen als Mohamed Rabbae, die hoopvol zijn levensweg is gegaan, ook al was die moeilijk. Met deze lezing wil ik u, en ook mezelf, moed geven: moed om te blijven leven en werken vanuit hoop, voor onze gezamenlijke toekomst.
Prof. Dr. E.M.H. Hirsch Ballin (CDA) heeft een lange staat van dienst in politiek en bestuur. Hij was onder meer minister van Justitie in de kabinetten-Lubbers III en Balkenende III en IV, en diende korte tijd als minister van Binnenlandse Zaken. Daarnaast was hij actief als parlementariër, lid van de Raad van State en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Hirsch Ballin is emeritus universiteitshoogleraar aan Tilburg University en emeritus-hoogleraar mensenrechten aan de Universiteit van Amsterdam.
