De Moslimkrantlezing 2015: Islam in Nederland

0
219

Met meer dan 900.000 moslims en zo’n 500 moskeeën in dorpen en steden is de islam een steeds gewoner onderdeel van het Nederlandse landschap en de Nederlandse cultuur geworden. Toch blijft het contact tussen moslims en niet-moslims krampachtig. Veel Nederlanders staan ambivalent, afwijzend of vijandig tegenover moslims. Ze vrezen dat de islam een bedreiging vormt voor de waarden die in Nederland dominant zijn. De opkomst van IS en aanslagen zoals die op Charlie Hebdo versterken de angst dat islam gelijk staat aan het gebruik van geweld. Zelfs Nederlanders die redelijk op de hoogte zijn van de islam blijven overwegend huiverig.

Onheus bejegend
Moslims op hun beurt worden soms moe te benadrukken dat de islam wel degelijk een vreedzame godsdienst is.

Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau laat zien dat twee op de drie moslims zich gediscrimineerd voelt. Ook bij islamitische collega’s merk ik hoe zij zich na aanslagen onheus bejegend voelen, omdat van hen wordt gevraagd dat ze zich distantiëren van het geweld, terwijl zij zich niet in het geweld herkennen en zeker niet willen dat dit in hun naam wordt gepleegd.

Hoe de patstelling waarin moslims en niet-moslims terecht zijn gekomen te doorbreken? Meer kennis over de islam is natuurlijk mooi meegenomen, maar het blijkt niet genoeg. De koudwatervrees kan slechts worden overwonnen als beide kanten bereid zijn openlijk en gelijkwaardig met elkaar in gesprek te gaan.

Tussendenken
De vraag hoe dat gesprek tussen moslims en niet-moslims aan te gaan, sluit aan bij het thema waar ik me als Denker des Vaderlands mee bezighoud, het thema van het ‘tussen-denken’: Hoe kunnen we in het hedendaagse Nederland, dat voor velen niet hun moederland is (ze zijn er niet geboren), maar wel een vaderland (ze hebben er hun habitat), op nieuwe manieren het publieke domein, de ruimte tussen mensen, inrichten – en wel zo, dat zoveel mogelijk soorten mensen zich er thuis en op hun gemak voelen?

Interesse en inter-esse

De filosofe Hannah Arendt gebruikt het woord ‘inter-esse’, van het Latijns ‘inter’ (tussen) en ‘esse’(zijn), om dat wat er tussen mensen is aan te duiden. Door aandacht te besteden aan dat wat er tussen ons is, wordt de interesse in elkaar en in de wereld die we gemeenschappelijk hebben, groter.

Tussen 1: de inrichting van de tussenruimte
Wat zit er dan tussen ons? Ten eerste, de wereld die we als mensen gemeenschappelijk hebben. Het gaat daarbij om de wereld die door mensenhanden is gemaakt. In de loop van de geschiedenis hebben we de publieke ruimte tussen ons gevuld met huizen, stations, moskeeën, kerken, wegen, pleinen en nog veel meer. Materiële zaken die ons beschermen tegen de gevaren van de natuur, maar ook tegen de gevaren van andere mensen. Hoe kunnen we de publieke ruimte zo inrichten dat het nauwelijks kost om mensen die er anders uitzien aan te spreken of om samen iets te ondernemen?

Openbare ruimte
Een voorbeeld uit mijn werksfeer is het binnenplein van de Haagse Hogeschool, waar iedereen bij binnenkomst en vertrek langs moet. De openheid van het plein, de vele activiteiten, de randen waar je op kunt zitten en de vrolijk gekleurde zitjes zorgen ervoor dat je makkelijk in gesprek kunt gaan met docenten en studenten die er anders uitzien dan jijzelf. Datzelfde zie je ook gebeuren aan het plein voor het Centraal Station van Rotterdam, waar de randen om de grasbakken zo zijn vormgegeven dat je haast vanzelf zin krijgt om naast een onbekende te gaan zitten.

Tussen 2: je in het openbaar vertonen
Als mensen elkaar in het openbaar ontmoeten, dan zien, horen, spreken of doen iets met elkaar. Ze creëren sprekend en handelend een publieke sfeer die pas bestaat als mensen elkaar spreken en iets met elkaar doen. Andersom betekent het dat als mensen uit elkaar gaan, en dus niet langer met elkaar spreken, de publieke sfeer verdwijnt: er is immers niemand die publiekelijk aan een ander verschijnt. 

De drang om je te tonen
Hoe zit dat met het aan elkaar verschijnen, waarom doen mensen dat? Volgens Arendt heeft alles wat leeft de drang om te verschijnen, om zichzelf aan anderen te tonen. Ze verwoordt dat in het boek Denken als volgt: al wat kan zien, wil gezien worden, al wat kan horen, roept om gehoord te worden, al dat kan aanraken, biedt zich aan om aangeraakt te worden.

Opmerkelijk hierin is dat we volgens Arendt in het publieke domein niet ons innerlijk of de binnenkant tonen, maar het uiterlijk, de buitenkant. Want juist die buitenkant, ons uiterlijk, maakt dat we van elkaar verschillen. Ons uiterlijk is ‘oneindig gevarieerd’, zoals ze schrijft. Dat verschil in uiterlijk is voor haar de menselijke conditie bij uitstek. Door openlijk te verschijnen in de publieke ruimte laat je zien waarin je uniek bent, waarin je anders bent dan anderen en wat jou zo bijzonder maakt.

Hondje
Hoe willen wij ons eigenlijk aan anderen vertonen? Die vraag stel ik mezelf ook in de ontmoeting met moslims. Bijvoorbeeld hoe ik mij met mijn hondje vertoon aan mannen en vrouwen die onderweg zijn naar de moskee. Hoe maak ik hen duidelijk dat ik weet dat veel gelovigen niet willen dat de hond hun kleren of lichaam aanraakt en dat ik mijn hond daarom kort zal houden? Mijn oplossing is om zeer demonstratief met mijn hand langs de riem te gaan en te laten zien dat ik zorg dat de hond vlak bij me blijft lopen. En toch gebeurt het me nog regelmatig dat een gelovige bij het zien van het hondje schielijk naar de overkant van de straat vlucht. 

Welk uiterlijk willen zij daarmee tonen? En wat zou ik kunnen doen om dat te doorbreken, zodat we als moslims en niet-moslims elkaar niet hoeven te ontlopen?

Hoe wens je te verschijnen?
Elk van ons heeft het vermogen om over zichzelf te denken en daarmee het vermogen om na te denken hoe hij zich presenteert aan anderen. Een oud Socratisch gezegde luidt: ‘Wees zoals je wenst te verschijnen’. 

Het eerste en tweede tussen, zoals ik die hierboven heb omschreven, staan niet los van elkaar. De inrichting van de ruimte heeft invloed op hoe we ons in het publiek aan elkaar vertonen, en andersom heeft hoe we met elkaar spreken en handelen invloed op hoe de ruimte tussen ons inrichten. Als moslims en niet-moslims publiekelijk met elkaar het gesprek aangaan of samen dingen doen, heeft dat onmiddellijk impact op hoe de stad of de wereld wordt ingericht.

Voortdurend gesprek
Binnen mijn werk aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en De Haagse Hogeschool, waar moslims en niet-moslims dagelijks de ruimte met elkaar delen, leidt de ontmoeting tot gesprekken over hoe de samenleving en de universiteit of school kunnen worden ingericht. Onderwerpen die daarbij aan de orde komen zijn:

–       Wat is vrijheid van spreken en denken? (Moet de inrichting van de school politiek neutraal zijn? Mag een docent een T-shirtje aan waarop hij zijn voorkeur voor een politieke partij uitspreekt?)

–       Aan welke voorwaarden moet worden voldaan om groepen met minder macht evenredig aan het woord te laten? (Hoe richt je de klas zo in dat alle studenten zich vrij voelen om te spreken?)

–       Hoe strikt moet de scheiding tussen onderwijs en geloof zijn? (Wel of geen gebeds- en stilteruimtes?)

–       Welke gevolgen heeft het vasten tijdens de ramadan voor de gezondheid en de studieprestaties? (Kan daarmee met roostering van lessen of introductiekampen rekening worden gehouden?)

–       Welke gevolgen hebben 24-uursdansgelegenheden, blootstelling aan alcohol, drugs en weinig slaap op de gezondheid en studieprestaties? (Horen deze uitgaansgelegenheden bij studentensteden? Hoe organiseer je feesten waar studenten die wel en niet alcohol drinken zich beiden welkom voelen?)

–       Is het denkbaa
r dat een in de islam geïnteresseerde niet-moslim in een verre toekomst toegang zal krijgen tot de heilige stad Mekka? Wellicht met een inrichting van straten of ruimtes waar de niet-gelovige langs kan?

Wie dit soort gesprekken aangaat, merkt al snel dat er een veelvoud van religieuze praktijken, gelovigen en opvattingen is.

Vertrouwde vreemden
Dagelijkse interacties tussen moslims en niet-moslims zijn belangrijk om het onderlinge wantrouwen om te zetten in vertrouwen. Niet dat je meteen intieme vrienden hoeft te worden, maar wel dat je de gelegenheid krijgt om onbekende vreemden tot vertrouwde vreemden te maken. In grote steden gebeurt dat al veel meer, wat waarschijnlijk verklaart waarom leraren in stedelijk gebieden minder discriminatie zien dan in niet-stedelijke omgevingen.

De glossy
Het initiatief van de Mohammedglossy sluit naadloos aan bij het streven naar nieuwe vormen van inter-esse. De makers zetten ertoe aan op zoek te gaan naar nieuwe interacties tussen moslims en niet-moslims. Doel is om de ruimte tussen moslims en niet-moslims op nieuwe manieren in te richten, zodat elke Nederlander, moslim of niet, in dit kleine landje kan aarden.

Prof. dr. Marli Huijer, Denker des Vaderlands, civis mundi hoogleraar filosofie van cultuur, politiek en religie aan de faculteit der wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit Rotterdam en tevens lector filosofie en beroepspraktijk aan De Haagse Hogeschool. 

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in