10.1 C
Amsterdam
zaterdag 8 mei 2021

Geen contraracisme, wat dan wel?

Wat staat er eigenlijk tegenover racisme? Anders gezegd, hoe druk je antiracisme positief uit? Want dat moeten we weten om een betere weerstand te ontwikkelen.

Het eerste antwoord wordt al vaak gegeven, namelijk: we moeten uitgaan van wat ons bindt, niet van wat ons scheidt. Maar dat is niet wat veel spraakmakende antiracisten doen. Zij zoeken juist naar bevestigende aanduidingen van door racisme getroffen groepen, met woorden als mensen van kleur en Zwarten met een hoofdletter. Dat duid ik hier aan met contraracisme. Het gaat uit van wat ons van elkaar onderscheidt, dus van het verschil en niet van de overeenkomsten. Uitgaan van wat ons bindt doet het tegenovergestelde en komt al snel uit op de gemeenplaats: we zijn allemaal mensen.

Bestaat er een weg om de waarheid in beide posities recht te doen? Dus kunnen we erkennen dat er reële verschillen zijn tussen mensen en dat die verschillen er dus toe doen, en dat we als mensen genoeg met elkaar delen om het met elkaar uit te houden? Dat is de vraag naar de praktische consequenties van anders zijn.

De man die op zijn oprijlaan in Hillegersberg een Lamborghini heeft staan, zal zich zeker anders voelen dan de man die in Hillesluis op een gerenoveerde etagewoning verblijft. Een klassenverschil. Ook dat is een vorm van ‘anders’, maar een die zich verheft. Man 1 voelt zich ‘opperlijk’ anders, niet ‘nederlijk.’ De bedoeling, of het effect, van een racistische bejegening is dat de ander zich nederlijk anders voelt. Het anders zijn is dan een lagere status, die van een mindere soort. Racisme werkt uit de hoogte. En dat heeft het gemeen met seksisme en normalisme.

Daar moeten we dus vanaf. Het zoeken is naar een manier om op voet van gelijkheid van elkaar te verschillen. Dat doen we niet door als Rotterdammers of als Nederlanders elkaars onderlinge verschillen te neutraliseren en ook niet door ze alleen maar te respecteren; we moeten hun betekenis erkennen. Het anders zijn van de ander betekent iets. Wát het betekent kan alleen – en daarin zit die ‘voet van gelijkheid’ – in relatie met de ander worden vastgesteld. Is die relatie goed, dan houdt ze de bereidheid in om het verhaal van de ander te horen.

Iemand die anders is heeft een andere geschiedenis. Een superdiverse stad herbergt een veelvoud aan persoonlijke geschiedenissen, die telkens anders zijn. Op het niveau van etnisch-culturele verschillen spelen volkeren en gemeenschappen een rol van betekenis. Zij brengen hun eigen geschiedenis mee. Maar die van het individu valt er niet mee samen, want het individu valt niet samen met zijn familie en zelfs zijn familie valt niet samen met de gemeenschap en de gemeenschap valt niet samen met het volk. Wie het in Rotterdam bijvoorbeeld heeft over de 40.000 ‘Turken,’ spreekt ook over mensen met een Koerdische, Armeense of Assyrische familie, of met een niet-soennitische, maar alevitische, christelijke of atheïstische familie. Als de vraag waar kom je vandaan? door die ‘Turken’ onderling wordt gesteld, heeft ze dan ook een andere betekenis dan wanneer een buitenstaander die stelt.

Wie de waarkomjevandaanvraag stelt om iemands etnische herkomst vast te stellen, stelt een heel andere vraag dan degene die deze vraag stelt om een gesprek te beginnen of een relatie aan te gaan, en dus een persoonlijke geschiedenis te horen. In een stad van minderheden, die bovendien groeit door binnen- en buitenlandse migratie, kan die laatste manier de standaard worden. Mijn ervaring is dat de vraag waar stond jouw wiegje? tot leerzame en soms grappige gesprekken kan leiden.

Wat ik daarvan heb geleerd is dat mensen graag over zichzelf vertellen in de vorm van hun persoonlijke geschiedenis. En dat daarin vanzelf meekomt waarin ze ‘anders’ zijn. En dat dit ook mij het makkelijker maakt om te vertellen waarin ik anders ben. En dat dus het delen van ons eigen vreemdelingschap ons mensen helpt om nader tot elkaar te komen. Ergens daar begint de uitweg uit racistische verhoudingen. Van diversiteit naar interculturaliteit naar inclusiviteit: grote woorden voor veel kleine stappen, maar niet altijd zachtzinnige. Want het gaat ook om het verbreken van groepscodes, om inbraken in systemen, om uitbraken uit gemeenschappen en om het opzeggen van valse verbondenheid.

Herman Meijer was van 2003 tot medio 2006 voorzitter van het landelijk bestuur van GroenLinks. Van 1990 tot 2002 was hij gemeenteraadslid en wethouder in Rotterdam. In zijn portefeuille zat onder meer stads- en sociale vernieuwing, allochtonen-, grote steden- en moskeebeleid.