9.6 C
Amsterdam
zaterdag 8 mei 2021

Radicalisering signaleren is geen taak voor de leraar

Vanuit de overheid en in de media wordt er steeds vaker op gewezen dat de leraar een belangrijke rol heeft bij het bestrijden van radicalisering. Recentelijk onderschreef ook pedagoog Micha de Winter bij het NPO Radio 1-programma ‘de Ochtenden’ deze visie. De Algemene Onderwijsbond (AOb) begrijpt deze oproep, maar plaatst daarbij wel de nodige kanttekeningen.

De betrokkenheid van de leraar bij maatschappelijke vraagstukken
De AOb is van mening dat onderwijs veel meer inhoudt dan alleen rekenen, taal en spelling. Goed onderwijs gaat ook over sociale vaardigheden en leren samenleven. De AOb vindt dan ook dat het versterken van sociale cohesie, bevorderen van een tolerante samenleving en het ontwikkelen van burgerschapsvaardigheden een duidelijke en herkenbare plaats moet krijgen in het onderwijs. Niet als vak, maar als algemene taak van de school. Daarmee is het ook onderdeel van de opdracht van de leraar en daarmee adresseert deze als vanzelfsprekend ook actuele maatschappelijke vraagstukken (waaronder uiteraard ook terrorisme en radicalisering kunnen vallen).

Burgerschapsvorming moet echter wel vorm krijgen binnen de opdracht van de leraar, welke luidt: binnen de kaders van het onderwijskundig beleid van de instelling, en in de instelling verantwoordelijkheid dragen voor het pedagogisch, didactisch en vakinhoudelijk proces (Brekelmans & Van Es, 2016). De AOb is op basis hiervan dan ook van mening dat het signaleren en zelfs opsporen van radicalisering niet binnen deze opdracht valt en dus geen expliciete taak van de leraar kan of behoort te zijn. Daarnaast kan een dergelijke signaleringstaak leiden tot verschillende ongewenste effecten.

Gevaren bij signaleren van radicalisering door de leraar
Het toewijzen van een signalerende taak aan de leraar inzake radicalisering is problematisch om twee redenen: het signaleren van radicalisering vereist kennis en kunde waarover de leraar onvoldoende beschikt. Daarnaast vergroot het de kans op stigmatisering en discriminatie.

Een leraar heeft in vrijwel alle gevallen te weinig inzicht en overzicht om te kunnen vaststellen of er sprake is van radicalisering. Zo is vanuit het beperkte schoolperspectief – de leraar weet namelijk vrijwel niets over het leven dat de jongere leidt buiten de school – moeilijk om signalen goed te interpreteren (Spee & Reitsma, 2010). Daarnaast kan een leraar, zonder uitvoerig psychologisch onderzoek, niet vaststellen of er sprake is van radicalisering of van ‘gewoon’ pubergedrag. Immers, ook ‘gewone’ pubers nemen in de pubertijd vaak zeer extreme standpunten in en laten extreem gedrag zien (Spee & Reitsma, 2010). Mede hierdoor verwordt het vaststellen van radicalisering eerder tot een mening dan een feitelijke vaststelling.

Wees terughoudend met label radicalisering
Hiermee leidt een poging tot signaleren van radicalisering van jongeren, op basis van onvoldoende kennis en kunde, maar al te vaak tot een vorm van culturalisering (Bauman, 2004Schinkel, 20072008). Immers, individuele kenmerken als opvattingen, overtuigingen, gedrag en kleding worden verbonden met opvattingen, overtuigingen en handelingen van een tot essentie teruggebrachte groep (‘de geradicaliseerden’).

Niet alleen is een dergelijke benadering in hoge mate essentialistisch, stigmatiserend en soms ook discriminatoir. Zij zal eerder leiden tot het afstoten van de jongere en kan zelfs aanzetten tot verdere radicalisering. De jongere in kwestie krijgt dan immers het idee dat hij, ondanks alle pogingen, toch wordt gedefinieerd als ‘de ander’ en er daardoor ‘toch niet bij hoort’ (Huijnk e.a., 2015).

De AOb is dan ook van mening dat, vanwege de onmogelijkheid van een feitelijke uitspraak over de mate van radicalisering van de leerling en in het belang van de veiligheid van de leerling, klas en de leraar zelf, er terughoudendheid dient te worden betracht met het label ‘radicalisering’.

De professionele grenzen van de leraar
Ondanks dat het signaleren en opsporen van radicalisering niet behoort tot de kernopdracht van de leraar kan de leraar in de praktijk wel degelijk te maken krijgen met radicale opvattingen, overtuigingen en gedrag. Dergelijke uitingen en gedragingen kunnen de professionaliteit van de leraar ontstijgen. Het is dan aan te raden om dan tijdig contact om te nemen met andere instanties en professionals. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan buurt- en jongerenwerkers.

Preventie van radicalisering: inclusieve didactiek en pedagogiek
De vraag rijst of en wat de leraar dan wel kan bieden bij radicalisering. Onderzoek stelt dat met name factoren als geringe binding met gemeenschappen, stigmatisering en relatieve deprivatie, een bijdrage kunnen leveren aan radicalisering (Pels & Ruyter, 2011).

Mede daarom kunnen scholen zich beter richten op een inclusieve aanpak, zoals het creëren van een gemeenschapsgevoel door samenwerkend leren, en het ontwikkelen van democratische en rechtvaardige gemeenschappen dan op het nadruk leggen op assimilatie en controle (Pels & Ruyter, 2011). 

Het investeren in een dergelijk klassenklimaat past in de professionele opdracht van de leraar. Dit vereist echter wel dat leraren hiervoor voldoende tijd en ruimte hebben en dat is niet het geval wanneer zij elke keer probleemeigenaar worden gemaakt van een nieuw maatschappelijk vraagstuk.

Jeroen van Andel is als socioloog verbonden aan de Algemene Onderwijsbond. Met dank aan socialevraagstukken.nl