18.1 C
Amsterdam
donderdag 13 mei 2021

Jongeren blowen minder door erover te praten

De kans dat jongeren gaan experimenteren met cannabis is groot: dertig procent van hen probeert het op enig moment uit. Onderzoek in tweede en vierde klassen van het voortgezet onderwijs (o.a. Van Laar et al. 2014, Houben 2006) heeft uitgewezen dat tien procent van de leerlingen de afgelopen maand cannabis heeft gebruikt.

Dat gebruik is redelijk constant en in Europees verband bezien zit Nederland in de middenmoot. Langs de landsgrenzen blowen Nederlandse tieners minder dan hun leeftijdgenoten in België en Duitsland (Lamberts, 2010). Hoewel net als bij alcohol het uitstellen van gebruik tot na je achttiende vanuit publiek gezondheidsperspectief te prefereren is, leidt cannabisgebruik niet altijd tot problemen zoals verslaving, problemen op school, psychoses, spijbelen, delinquent gedrag, lichamelijke problemen en verminderde motivatie voor andere activiteiten.

Toch is er wel duidelijk een groep adolescenten die te veel of te vroeg gebruiken. Zoals een veertienjarige die al bijna dagelijks blowt, een jongen met aanleg voor psychose die stevig blowt, of een zeventienjarig meisje dat de hele week spijbelt. Via bezorgde ouders, begeleiders op school, huisartsen, jeugdhulpverleners en jongerenwerkers komen zij bij de verslavingspreventiewerkers terecht.

Dat peinzen is niet goed
Uit ons onderzoek (Spits et al. 2014) bleek er in Nederland geen geschikte effectieve interventies bestonden voor deze groep. Het doel van mijn promotieonderzoek was daarom het vinden van een geschikte en effectieve interventie voor jongeren die vatbaar zijn voor problemen die samenhangen met het gebruik van cannabis. Uiteindelijk bleek praten het beste te helpen. Essentieel daarbij is de jongeren aan het denken te zetten zonder belerend te zijn. Gebruikers die willen stoppen met cannabis kunnen daar lang over nadenken. Dat peinzen is niet goed, bleek uit ons onderzoek; snelle actie is geboden. Jongeren hoeven wat ons betreft niet te stoppen

De interventie die we ontwikkelden, door ons Moti-4 genoemd, bestaat uit vier individuele gesprekken met een verslavingsprofessional waarin de jongere gestimuleerd wordt op een andere manier naar z’n cannabisgebruik te kijken. Peilers van die gesprekken zijn motivational interviewingself monitoring en self determination theory. Simpel gezegd: een open, niet veroordelende houding, het bevorderen van zelfreflectie en van motivatie die uit de persoon zelf komt. Met als doel: de consumptie te laten dalen en de bewustwording te vergroten.

Jongeren hoeven dus wat ons betreft niet te stoppen, maar in sommige gevallen (bijvoorbeeld bij jongeren met psychoses) raden we dat wel nadrukkelijk aan. Het gaat bij de interventie Moti-4 nadrukkelijk om preventie; jongeren met uitgekristalliseerde verslavingsproblemen worden door ons begeleid naar de hulpverlening.

Hun cannabisgebruik halveert
Jongeren die Moti-4 hebben doorlopen, gaan minder vaak en ook minder grote hoeveelheden blowen. Gemiddeld halveren ze hun cannabisgebruik. Ze geven niet alleen minder geld uit aan cannabis, maar gaan ook minder vaak en minder joints roken. Dit effect is ook na een half jaar nog aanwezig, hetgeen erop wijst dat er met Moti-4 een blijvende gedragsverandering kan worden bewerkstelligd.

De methode heeft inmiddels ingang gevonden in een groot deel van Nederland en wordt ook op andere gebieden zoals alcohol en gamen toegepast. Alleen met rookverslaving is tot op heden nog geen ervaring opgedaan. Moti-4 past overigens naadloos in het landelijke ‘basispakket’ verslavingspreventie, waarin alle preventieafdelingen in Nederland samenwerken op onder andere het gebied van voorlichting.

Hans Dupont is manager Verslavingspreventie van Mondriaan in Limburg en onderzoeker/docent bij de Universiteit Maastricht (CAPHRI). Hij promoveerde onlangs met het proefschrift ‘Killing time. Identification of adolescent cannabis users and the development of an early prevention program: Moti-4’, Maastricht, 2015. Met dank aan Sociale Vraagstukken.nl