18.1 C
Amsterdam
donderdag 13 mei 2021

Jihadisten zenden een boodschap, maar luisteren we wel goed?

Vlak voordat hij in 2011 de aanslagen in Noorwegen pleegde, verstuurde Anders Breivik nog snel een e-mail. Hij stuurde zo’n duizend medestanders zijn ruim 1500 pagina’s tellende werkstuk 2083: een onafhankelijkheidsverklaring.

In dit handboek legde Breivik uit dat Noorwegen in handen was van een linkse elite die het land weerloos uitleverde aan de oprukkende islam.
2083 was een verwijzing naar het jaar waarin volgens Breivik de Tempeliers, een krijgerskaste waar hij beweerde lid van te zijn, de beslissende overwinning zou behalen in de strijd tegen de moslimoverheersing.

Zo wijdlopig als Breivik zijn de meeste terroristen niet, en ook schermen de meesten van hen niet met organisaties die hoofdzakelijk het product van hun inbeeldingsvermogen zijn, maar veel terroristische organisaties en bewegingen geven, net als Breivik, kort voor of na een aanslag een verklaring uit.

Dat terroristen de behoefte voelen om hun acties toe te lichten, is niet verwonderlijk. Terroristische aanslagen hebben voor de daders weinig intrinsieke waarde. Terroristen realiseren zich doorgaans dat ze over te weinig middelen beschikken om uitsluitend met geweld hun politieke doelstellingen te bereiken. Ze zoeken daarom de publiciteit om hun geweld uit te vergroten, dit in de hoop dat ze op die manier een publiek bereiken dat groter is dan de directe slachtoffers van hun gewelddadige acties. En omdat gewelddaden niet voor zich spreken, is toelichting noodzakelijk. Immers, een tegenstander die niet begrijpt wat je wil, is niet in staat om je eisen in te willigen.

Ook de jihadistische beweging waar grote delen van de westerse wereld sinds 9/11 mee te maken hebben, gebruikt geweld om een boodschap onder de aandacht te brengen. Het probleem is echter dat politieke leiders in het Westen de twee belangrijkste aspecten van de jihadistische boodschap, namelijk de inhoud en de geloofwaardigheid, niet op de juiste waarde schatten.

Tegen de westerse defensiepolitiek
De westerse defensiepolitiek in de islamitische wereld is zonder enige twijfel het belangrijkste thema in de videoboodschappen en andere verklaringen van de jihadistische terroristen. Buitengewoon uitgesproken op dit punt waren bijvoorbeeld de daders van de aanslagen in Londen op 7 juli 2005. In eenvideoboodschap die later dat jaar werd vrijgegeven, liet Mohammed Siddique Khan, de leider van de cel, weinig onduidelijkheid bestaan over wat hij met de aanslagen wilde bereiken: “De landen en gebieden van de staten die deelnamen aan de agressie tegen Palestina, Irak en Afghanistan worden door ons als doelwitten beschouwd, dus iedereen die vrede zoekt, moet uit die staten wegblijven. (…) Totdat we ons veilig voelen, blijven jullie ons doelwit. En we zullen deze strijd niet opgeven totdat jullie stoppen met het bombarderen, vergassen, gevangenzetten en martelen van mijn volk.”

De inhoud van de boodschap is dus duidelijk: met hun aanslagen laten de jihadisten zien dat westerse mogendheden een prijs betalen voor hun inmenging in de islamitische wereld. Westerse regeringsleiders horen echter iets anders. In plaats van te erkennen dat hun handelwijze bijdraagt aan radicaliseringsprocessen, kiezen ze voor een verklaring die niet helemaal onjuist, maar ook onvolledig en enigszins zelfingenomen is.

George W. Bush zette de toon met zijn bewering dat Al Qaida handelde uit haat tegen de westerse vrijheden, en vrijwel alle latere aanslagen werden gevolgd door verklaringen van regeringsleiders en politici dat de terroristen het gemunt hebben op “onze manier van leven”. Het is waar dat de aanslagen op cartoonisten en redactiebureaus die verantwoordelijk zijn voor de publicatie van spotprenten van Mohamed zijn bedoeld om de vrijheid van meningsuiting te beteugelen, maar acties met dit doel maken slechts een beperkt deel van het totale aantal aanslagen uit. Het blijft dus opmerkelijk dat leiders in het Westen nauwelijks erkennen, en soms zelfs ontkennen, dat de terroristen handelen uit woede over de westerse buitenlandse politiek. Dit deel van de boodschap van de jihadisten komt dus niet over. Maar hoe zit het dan met de geloofwaardigheid?

Extreme maatregelen
Margaret Thatcher, als premier verwikkeld in een bittere strijd met de IRA, heeft eens gezegd dat terroristen afgesneden moeten worden van “de zuurstof van de publiciteit”. En inderdaad, de media -vandaag de dag ook de sociale media- doen in zekere zin een deel van het werk van terroristen. Hoe meer de media over terrorisme berichten, des te sterker krijgt het publiek het idee dat het terrorisme overal is, en des te nadrukkelijker krijgen zij de terroristische gruweldaden op hun netvlies.

Terroristen willen groter lijken dan ze zijn om hun boodschap kracht bij te zetten. De geloofwaardigheid van hun dreigementen groeit namelijk als ze erin slagen de indruk te wekken dat ze overal kunnen toeslaan en dat ze de operationele capaciteiten hebben om grote aantallen slachtoffers te maken. Het is niet voor niets dat de daders van de aanslagen in Parijs in november 2015 van plan waren om een van hun aanslagen te plegen in het van camera’s vergeven Stade de France, waar op dat moment de interland Frankrijk-Duitsland bezig was.

Om het bereik van hun acties te vergroten, leunen terroristen zwaar op de media. Hierdoor krijgen ze voor elkaar dat de maatschappelijke angst in geen verhouding staat tot de omvang van de dreiging. De media leggen, begrijpelijkerwijs overigens, de terroristen onder het vergrootglas, en het uitvergrote beeld dat aldus ontstaat, gaat vervolgens door voor de realiteit, en dat terwijl terrorisme nog altijd minder mensenlevens eist dan blikseminslagen en ongelukken tijdens het klussen, om nog maar te zwijgen van roken en het verkeer.

Na terroristische aanslagen krijgen we vaak op het hart gedrukt dat we ons niet bang moeten laten maken, want ‘dat is juist wat de terroristen willen’. Het tragische is evenwel dat deze waarschuwing veel te laat komt: we zijn al lang bang. Als de Nederlandse regering zonder enige vorm van maatschappelijke discussie een wetsvoorstel indient dat door de Raad voor de Rechtspraak wordt gekraakt omdat het de wettelijke mogelijkheid creëert om mensen feitelijk te straffen zonder dat ze veroordeeld of zelfs maar aangeklaagd zijn, zijn de terroristen spekkoper.

Ironie
Waar de inhoud van de boodschap dus niet doorkomt, wordt de geloofwaardigheid van de terroristische dreiging voor zoete koek geslikt. Het is duidelijk dat hier een zekere ironie in zit: westerse leiders negeren wat ze moeten geloven, en geloven wat ze met een korrel zout moeten nemen. Het spreekt vanzelf dat hier alleen maar verkeerd beleid uit voort kan komen. Regeringen die de drijfveren van de jihadistische b
eweging niet onderkennen, scheppen onrealistische verwachtingen over de mate waarin ze radicalisering kunnen voorkomen. Hoe kun je met je rechterhand een probleem oplossen dat je met je linkerhand in stand houdt? Ook de tweede misvatting, namelijk de overschatting van het vermogen van de terroristen om hun dreigementen waar te maken, is beleidsmatig schadelijk. Overschatting is een koninklijke weg naar antiterrorismebeleid dat burgerrechten op het spel zet zonder dat daar een verhoging van de veiligheid tegenover staat.

Als terrorisme een communicatiemiddel is, moeten we eigenlijk dezelfde regels hanteren als bij gewone communicatie: denk goed na over wat je hoort, hoor ook de dingen die je liever niet wilt horen, en laat je niet zomaar alles wijsmaken. Alleen dan kunnen we op een verstandige manier met de huidige dreiging omgaan.

Teun van Dongen is auteur en analist op het gebied van nationale en internationale veiligheid. Van Dongen is aan de Universiteit Leiden gepromoveerd met een proefschrift over de effectiviteit van terrorismebestrijding. Op 4 maart houdt hij een voordracht over communicatie en geweld op het jaarlijkse congres van de Leidse studievereniging Labyrint.

Met dank aan mediummagazine.nl